Wind
Er was een tijd, dat de wind nog niet bestond. Er was wel lucht, maar die stond stil en hing wat rond, net als de wolken en het water. Tot op een dag de Mammoeten zich bij de Berg beklaagden.
“O Berg”, zuchtten de Mammoeten, “wat zouden wij toch liever bomen zijn. Of bergen, mussen desnoods, en geen Mammoeten.”
“Waarom?” Vroeg de Berg verbaasd. “Jullie zijn groot en sterk. Jullie overleven de winters, zien heel de aarde, worden gevreesd en gevierd door alles dat leeft. Jullie zijn de grootste dieren met het grootste hart.”
“We weten het”, zeiden de Mammoeten. “Maar-”
“’s Nachts zie ik jullie slapen met jullie slurven verstrengeld en ’s morgen worden jullie wakker met je klitten verknoopt”, ging de Berg verder. “Verliefde bomen buigen tot de stammen breken, of wachten jaren tot de takken naar elkaar zijn toegegroeid. Wij bergen kunnen alleen op afstand lieve woordjes rommelen. En mussen, tja, de mussen…”
“We weten het”, zeiden de Mammoeten. “Maar ons haar is zo lang dat het recht voor onze ogen hangt, zo dik dat er geen doorkijken aan is. Bomen en zelfs mussen kunnen elkaar tenminste zien. Wij zien alleen wat recht voor onze tenen is. Pas als we rennen, in volle galop, duwt de lucht ons haar opzij en kunnen we elkaar in de ogen kijken. Even maar, want anders lopen we iemand ondersteboven.
“O Berg,” zuchtten de Mammoeten opnieuw, “als het toch eens andersom kon zijn. Dat de wind zou rennen en wij stil konden staan…”
Zo vertrokken de Mammoeten, verliefd maar zuchtend, op zoek naar nieuwe toehoorders voor hun beklag.
De Berg was er één met een warm hart en de woorden van de Mammoeten lieten hem niet los. De dagen na het gesprek was hij in diepe gedachten verzonken en murmelde zo nu en dan wat voor zich uit. De Mammoeten en andere dieren besteedden er geen aandacht aan; de Berg sprak wel vaker in zichzelf. Maar op de derde dag, toen de zon op zijn hoogst was, sloeg het murmelen om in een enorme schreeuw.
“Alles verslind ik, alles sterft!” Bulderde over de vlakte. Vissen verslikten zich, reptielen verbleekten. Nachtdieren schrokken wakker en vluchtten naar het licht. Daar zagen ze de Berg, tierend en bevend. Uit zijn mond sproeide slijm en bloed in een rode regen. “Ren voor je leven, ren, stumpers, ren!” En alles dat kon rende, vloog of zwom zonder te denken, van de vreselijke kreet vandaan. Ook de Mammoeten, die in hun bestaan nog voor niemand waren gevlucht, zetten het op een lopen. Met luid trompetteren waarschuwden ze iedereen die hen voor de voeten liep. Maar ze stopten voor niemand.
Pas toen de echo’s van de echo’s van de kreet waren verstomd, stonden de Mammoeten stil. In de zee van vluchtende schubben en vachten, zochten ze elkaar op. Koppen werden geteld, verstuikte enkels verzorgd en restjes knaagdier tussen de hoeven vandaan gepeuterd. Terwijl de laatste knikkende knieën tot rust kwamen, sprak de kring van Mammoeten zacht. Was het voorbij? Wat moesten ze doen? Wie durfde te gaan kijken? Tot een van hen riep: Je ogen! Ik zie je ogen!
De uitbarsting van de berg, had niet alleen de dieren doen rennen. Ook het water, de wolken en de lucht waren van schrik in beweging gekomen. Bij iedere Mammoet die tegen de rennende lucht in stond, werden de haren uit de ogen geblazen. Onmiddellijk verdrongen de Mammoeten zich voor een plaatsje tegen de lucht in. Ze juichten daarbij zo hard, dat de vluchtende dieren van schrik rechtsomkeert maakten om de andere kant op te vluchten. De Mammoeten merkten het niet en staarden alleen vol van liefde naar opzij, waar naar hun geliefden tegen de lucht terug staarden.
Ze werden pas stil, toen de wolk van as hen bereikte. Ogen vulden zich met roet, slurven vulden zich met as en de geur van schroeiend vlees. En de Mammoeten vluchten opnieuw, blind en gedesoriënteerd.
Slechts aan paar van hen renden de goede kant op, en liepen niet rechtstreeks in de armen van de kolkende lavastroom.
|

uit: 'Waarom de wind waait'
|