Poezelien
Ik ben haar kwijt. Kwijt, kwijt, kwijt.
En ook al echt een hele tijd.
Ik heb overal gezocht en overal gekeken,
maar zelfs mama weet niet waar ze is gebleven.
Ze is niet in de keuken, ze is niet op de gang,
ze is niet in mijn kamer, anders wist ik het allang.
Ik ken mijn kamer uit mijn duimen,
ik heb wel honderd uren op staan ruimen
en niks geen Poezelien gezien.
“Op zolder dan misschien?”
Roept mama vanaf de wc.
Nee, op zolder ben ik ook geweest.
“Of anders in de meterkast?”
De meterkast? Ja vast;
Poezelien durft daar toch niet naar binnen
met al die griebelkriebel spinnen.
“Heb je wel in je bed gekeken?”
Ja mama, en ze lag niet onder de deken,
niet onder de lakens of op mijn kussen,
niet ernaast en niet ertussen.
Ik heb buiten geroepen, gezocht om het huis
geschud met de brokjes, gepiept als een muis,
en daarna alles nog een keer.
En toen wist ik het niet meer.
Ik ben haar kwijt. Kwijt, kwijt, kwijt.
En nu al echt een hele tijd.
Ik heb overal gezocht en overal gekeken,
maar zelfs mama weet niet waar ze is gebleven.
Op de bank doe ik mijn ogen dicht
dan is het net of ze gewoon naast me ligt
met haar grote oren en het rode riempje om haar nek
haar gele schele ogen en het kale plekje bij haar bek
met haar slungelbungelpoten en het vlekje op haar buik.
Dan lijkt ze zo dichtbij, dat ik denk dat ik haar ruik
Dat ik haar weer horen miauwen als altijd,
maar als ik mijn ogen open doe is ze nog altijd kwijt.
Ik wil slaan en stukstampen van verdriet
maar ik weet ook wel; dat helpt toch niet.
Dus pak ik stiften en een berg tekenvellen
zoveel dat ik ze niet kan tellen
en op ieder vel teken ik mijn Poezelien
precies zoals ik met mijn ogen dicht kan zien.
Met haar grote oren, het rode riempje om haar nek
haar gele schele ogen en het kale plekje bij haar bek
met slungelbungelpoten en een lange zwieberstaart.
En dan hang ik de tekeningen door de hele straat
met daaronder groot geschreven:
“Poezelien, waar ben je nou gebleven?
Als je dit leest, kom dan maar terug
en ik mis je superveel, dus het liefst een beetje vlug.”
En dan wacht ik met mijn ogen open
tot Poezelien komt aangelopen.
|

verschenen in: 'Bonnefooi'
|